Metaprogramma's

Metaprogramma's zijn onbewuste filters. Het zijn filters die horen bij je karakter en bepalen hoe je handelt. Voor alle Metaprogramma's geld dat iedereen een voorkeur heeft, het is je uitgangspunt wat je het minste energie kost. Met wat meer moeite en oefening is het mogelijk ook de andere mogelijkheden in te zetten.

Basis metaprogramma's

De basis metaprogramma's zijn overgenomen van de MBTI methodiek. Dit staat voor Myers-Briggs Type Indicator en is een populaire methodiek om een grove inschatting van iemands persoonlijkheid te maken. Deze onderscheidt de volgende mogelijkheden:

Introversion / Extraversion

Iemand met een introverte voorkeur zal zijn "Interne batterij" opladen door alleen te zijn. Iemand met een extraverte voorkeur krijgt juist energie door in een groep te zijn.

Sensor / Intuition

Iemand met een sensor voorkeur zal bij voorkeur uit gaan van feitelijke en waarneembare informatie. Heb je een Intuition voorkeur gebruikt voor het opnemen van verbanden en grote lijnen ook eerder opgedane ervaringen en informatie.

Thinker / Feeler

Als je een Thinker voorkeur hebt dan neem je besluiten vaak rationeel en op basis van logica, met een Feeler voorkeur die je dit op basis van gevoel.

Judger / Perceiver

Als je graag planmatig en geordend werkt en geef je daar een waardeoordeel aan dan is dat een teken van een Judger voorkeur. Heb je daarentegen een Perceiver voorkeur dan kan je flexibeler en spontaner zijn en bekijk je de zaken zoals ze zijn.

Uiteraard geld voor al deze mogelijkheden dat ze niet zwart-wit zijn, het zijn schalen waarop je heen-en-weer kan verplaatsen. Ook zijn ze soms afhankelijk van de situatie. Zo kan je best in de ene situatie een Judger voorkeur hebben en in een andere situatie een Perceiver voorkeur.

Ben je benieuwd wat jouw Myers-Briggs Type Indicator is? Doe dan hier de test.

Complexe metaprogramma's

Naast deze basis metaprogramma's zijn er ook complexe metaprogramma's, die zijn later toegevoegd en geven ieder inzicht in een deel van iemands persoonlijkheid.

Richting: Vermijden of Benaderen

Wat motiveert je om te doen wat je doet? Doe je je werk goed omdat je graag goed werk wilt leveren (Benaderen), of omdat je geen boze baas wilt hebben (Vermijden)?

Reden: Mogelijkheid of noodzakelijkheid

Wat maakt dat je in actie komt? Is dat omdat je mogelijkheden ziet? Of omdat er gevolgen aan zitten als je het niet doet (noodzakelijkheid)?

Referentie: Intern of extern

Hoe weet jij dat je je werk goed doet? Is dat omdat je het zelf goed vind (interne referentie), of is dat omdat iemand anders tegen je gezegd heeft dat het goed is (externe referentie)?

Representatie voor overtuiging

Hoe weet je dat iemand anders goed is in wat hij doet? Is dat omdat je dat hebt gezien, gehoord, gelezen of hebt zien doen?

Domonstratie voor overtuiging

Als iemand je laat merken dat hij zijn werk goed doet, hoe vaak moet hij dat herhalen voordat jij daarvan overtuigd bent? Gaat dat automatisch, moet dat een aantal keren, moet dat gedurende een periode zijn of moet dat misschien zelfs constant?

Management Richting: Zelf of anderen

Weet je goed wat je zelf moet doen? Weet je goed wat anderen zouden moeten doen? En hoe vind je het om iemand anders te vertellen wat hij zou moeten doen?

Actie: Actief of nadenken

Hoe ga je om met situaties waar gehandeld moet worden? Kom je na een korte beoordeling in actie of bestudeer je eerst volledig alle consequenties?

Affiliatie: Onafhankelijk, management of team

Ben je het gelukkigst als je onafhankelijk van anderen kan werken, als je een leidinggevende rol hebt (management) of als je onderdeel bent van een team?

Werkpreferentie: Dingen, systemen of mensen

Werk je het liefst met dingen, met systemen of met mensen?

Primaire Interesse

Waar gaat jouw primaire interesse naar uit bij een gebeurtenis? Gaat dat naar mensen, de plaats, dingen, de activiteit of de informatie?

Chunking: Specifiek of abstract

Hoe verwerk jij het makkelijkst informatie? Heb je daarvoor een wat abstracter beeld van het geheel nodig, of juist details? Of misschien beiden in een specifieke volgorde?

Relatie: Verschillen of overeenkomsten

Als je twee zaken vergelijkt, zoek je dan bij voorkeur naar verschillen of naar overeenkomsten? Vergelijk eens wat je vorig jaar voor werk deed met wat je nu doet.

Emotionele Stress Response: Denken of voelen

Als je in een stressvolle situatie terecht komt, hoe handel je dan? Ga je dan naar je ratio (denken), naar je gevoel of heb je daar een keuze in?

Tijdopslag: In time of Through time

Hoe ga je van binnen om met tijd? Ben je vooral in het hier en nu en is plannen wat lastiger voor je (In time) of kan je makkelijk vooruit en achteruit in de tijd en is plannen daardoor wat makkelijker (through time)?

Aandacht: Zelf of anderen

Ben je over het algemeen gericht op jouzelf of op anderen?